Traduction non disponible. Affichage de la version française.

groepen en fysica co-afgeleide actie impuls

En résumé (grâce à un LLM libre auto-hébergé)

  • De tekst behandelt de Poincaré-groep en haar verband met de Lorentz-groep, met nadruk op bewegingen met positieve en negatieve energie.
  • Het legt uit hoe fysici zich richten op normale deeltjes en hoe het orthochrone deelgroep wordt gebruikt om problemen met negatieve energie te vermijden.
  • De tekst beschrijft de ruimte van momenta en hoe deeltjes worden ingedeeld in soorten, met een coadjointe actie die het overgaan van één beweging naar een andere mogelijk maakt.

groepen en fysica co-adjointe actie impulsie

20

Verschillende bewegingen.

Zoals eerder gezien, had de volledige Poincaré-groep een ziekte opgelopen die verband hield met haar nabije verwantschap met een vier-componentige groep, de Lorentz-groep. De groep bestaat dus uit twee delen: het orthochrone deel Go en het antichrone deel Gat (dat zelf geen groep is). Hier is dus het volledige speelveld:

(208)

Vergelijking 208

In de ruimte J van de impulsen van impulsen die overeenkomen met bewegingen in de ruimte van bewegingen met negatieve energie:

(209)

Vergelijking 209

Het zijn juist deze bewegingen die fysici erg vervelen. Bij een botsing tussen twee deeltjes in dezelfde ruimte, één met positieve energie en één met negatieve energie, is het resultaat: niets.

Voordat we ons met zulke lastige problemen bezighouden, kunnen we ons dan niet concentreren op de "normale" deeltjes in de zin van Coluche?

Goed. Laten we volgen zoals Souriau:

  • Verwijder het antichrone deel van de groep en houd alleen het orthochrone deel.
  • Verwijder uit de ruimte van impulsen het deel dat correspondeert met materiële punten met negatieve energie en massa.

(210)

Vergelijking 210

Beperkt speelveld, maar dan: geen problemen meer.

J+ staat voor een impuls die correspondeert met een beweging met positieve energie.

Omgekeerd staat J– voor een impuls die correspondeert met een beweging met energie E < 0.

Ik kies een element g uit mijn orthochrone deelgroep Go. Het veroorzaakt een verandering in de beweging. Het representatieve punt springt in de ruimte van impulsen. Maar dat gaat altijd probleemloos.

(211)

Vergelijking 211

Aan de linkerkant zie ik bijvoorbeeld twee verschillende bewegingen van een en hetzelfde deeltje.

De soorten deeltjes zijn "soorten impulsen". In deze ruimte van impulsen J kan ik domeinen onderscheiden die overeenkomen met verschillende soorten. Hieronder zijn we beperkt tot twee soorten deeltjes, wat overeenkomt met deze lineaire grens die de halve schijf in tweeën deelt:

(212)

Vergelijking 212

De representatieve punten in het deelruimte J+ van de impuls, dat correspondeert met bewegingen met positieve energie, heb ik twee punten getekend die overeenkomen met dezelfde soort. Het kunnen bijvoorbeeld twee bewegingen zijn van een elektron.

Ik heb een pijl (co-adjointe actie) getekend die een continue overgang toelaat van de ene beweging naar de andere.

Als de punten echter gekozen waren in het deelruimte van impulsen, in gebieden die corresponderen met twee verschillende soorten (bijvoorbeeld elektronen en protonen), zou er geen groepselement zijn, dus ook geen co-adjointe actie, waardoor men van de ene beweging naar de andere kan gaan. Zoals eerder aangegeven.